Les 3 Natuurkinderen in Batavenland


Download een PDF-bestand van deze les


 

Introductie

Je hebt boeken om lekker te lezen, en boeken waaruit je moet leren. Althans, dat onderscheid maken wij meestal. De leerboeken zijn vrijwel altijd geschreven voor een bepaald vak – biologie, geschiedenis, aardrijkskunde. De leesboeken kunnen over van alles gaan. In de negentiende eeuw maakte men ook onderscheid tussen deze twee soorten boeken, maar in de praktijk leken ze vaak erg op elkaar. Dat was niet voor niets. Men was ervan overtuigd dat kinderen door het lezen van goede boeken betere mensen werden, die vervolgens bij konden dragen aan een betere maatschappij. Of, zoals men het in die tijd uitdrukte: ‘De vertelling is een machtig middel ter zedelijke opvoeding.’ Het is dus niet verwonderlijk dat in zowel leer- als leesboeken altijd een boodschap werd verpakt. In deze les met teksten over Batavierenkinderen proberen we te ontdekken welke boodschappen, en wat deze teksten zeggen over de Nederlandse identiteitsvorming in de negentiende eeuw.
 
Het onderstaande fragment gaat over enkele kinderen uit Batavenland: Battar (17 jaar) en zijn zus Fella (16 jaar) zijn de kinderen van Towald, de Batavier. Zij lopen door het bos, op weg naar een om haar om raad te vragen.

Als gij die twee jongelieden gezien hadt, zooals ze daar hand in hand de ongebaande boschwegen betraden, zoudt gij zeker gedacht hebben een paar kinderen der eerste aardbewoners te aanschouwen, misschien wel kindskinderen van het eerste menschenpaar1, kort nadat dit uit het paradijs was verdreven, want ofschoon deze jongelieden bijna vier duizend jaren na de schepping leefden, en wel in jaar 53 v. Chr., zoo scheen het, alsof al de weelde der oude Egyptenaren, Perzen en Grieken ongekend aan hen was voorbijgegaan, en dat al die gouden, zilveren en purperen sieraden der Oosterschen, dat al de behaaglijke kleeding, waarmede zich de oude wereld tooide, voor hen niet bestonden, want – hoe ongelooflijk het ook klinken moge – toch is het waar, dat deze broeder en zuster, die wij hier tusschen de hooge eiken en beuken van het Rijkswald verrassen, behalve een korten lijfrok zonder mouwen en een vossevel, dat den hals bedekt, naakt zijn2. Geen hoofddeksel drukt de blonde haren van den jongeling, die, een staf in de rechterhand geklemd, met de linkerhand zijn zuster ondersteunt, wier goudgele lokken telkens opvliegen, als zij bij het verhaasten van haar tred, door het boschwindje worden beademd. Zij zijn kinderen der natuur, die, schoon zij nooit de stem Gods verstaanbaar voor hun ooren hebben vernomen3: dat zij in het zweet huns aanschijns hun brood zullen eten, toch door de wet der noodzakelijkheid geleerd hebben, dat zij van deze aarde voor zichzelf niets anders kunnen verwachten, dan dat wat zij met den arbeid hunner handen verkrijgen.
 
Uit: E. Gerdes, Erix en Fella (1870) p. 28-29.

Notes:
1. Kindskinderen van het eerste menschenpaar: hiermee worden Adam en Eva bedoeld die uit het paradijs werden verdreven.
2. Want ofschoon […] naakt zijn: de broer en zus hebben niks meegekregen van de huidige kledingvoorschriften. Zij dragen niks meer dan een lijfrok en een vossenvel, en zijn verder naakt.
3. schoon […] vernomen: terwijl zij nooit met God hebben kennisgemaakt.
Een geestelijke. Een priester(es) is in veel religies de tussenpersoon tussen God (of meerdere goden) en de mensen op aarde.