Les 3 Natuurkinderen in Batavenland

Drie soorten Batavieren

Aan de hand van verscheidene fragmenten uit lees- en leerboeken uit de negentiende eeuw zijn er drie verschillende soorten Batavieren te herkennen. De eerste was de Batavier als natuurmens. Daarnaast bestaat er de ‘ongelovige’ Batavier. Tot slot zijn de Batavieren een hardwerkend volk dat openstaat voor nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Deze drie soorten Batavieren hebben bijgedragen aan de identiteitsvorming van de negentiende-eeuwse kinderen. De Bataafse natuurmens leerde de kinderen over hun afkomst en natuurlijke omgeving, die impact hebben op wie je bent. De ongelovige Batavier heeft de negentiende-eeuwse kinderen bewust gemaakt van hun voorrecht God te mogen kennen. En de hardwerkende Batavier heeft de kinderen laten inzien dat je hard zult moeten werken om iets te kunnen bereiken.

 

Opdracht 8

In deze tekst staat dat de officiële canon van de Nederlandse geschiedenis begint met de hunebedden. Op de videoclip die bij de officiële geschiedenissite hoort, wordt gezegd: “De geschiedenis van de lage landen bij de zee begint met de komst van de Romeinen.” Welk verschil wordt er gemaakt tussen ‘canon’ en ‘geschiedenis’? Vind je dat er terecht onderscheid wordt gemaakt? Motiveer je antwoord. Motiveer je antwoord.

Opdracht 9

De schrijvers van fictieve boeken hebben duidelijk een studie gemaakt van de geschiedenis, zoals die door Tacitus of anderen is beschreven. Zo schrijven zowel Blekkink als Van Rije en Houbolt over een belegering die plaatsvond bij Castra Vetera. Daarbij leken de Romeinen te winnen, maar met nieuwe energie belegerden de Germanen de burcht opnieuw, zodat de Romeinen zich uiteindelijk moesten overgeven. De afloop wordt in de twee boeken verschillend beschreven.
 
Lees de onderstaande twee fragmenten. Analyseer daarna de verschillen. Maak onderscheid tussen de vertelde feiten, en de mening die de schrijvers daarover geven. Het is met name de vraag, wat – volgens de schrijvers – de afloop zegt over de Germanen.

 
Tekstfragment 1

Ondertusschen gaat het tweede beleg van Castra Vetera gestadig voort, en weldra doet het gebrek in de benarde veste1 zijn intrede. De honger stoort zich nog (sic) aan hooge muren, noch aan stevig gegrendelde poorten, noch aan het waakzame oog der schildwachten. Als een onzichtbaar spooksel2 is hij binnengeslopen en begint zijn vernielingswerk. Terwijl buiten de muren de Germanen bij hunne wachtvuren slempen brassen, heerscht daarbinnen het nijpendst gebrek. Alle voorraden zijn opgeteerd3, de paarden en andere trekdieren zijn geslacht en opgegeten. Bleek als schimmen en mager als geraamten waren de belegerden met holle oogen rond4. Hunne beenen weigeren haast hen langer te dragen, de armen missen de kracht om nog langer de wapenen te voeren. Besmettelijke ziekten tengevolge van het eten van allerlei onverteerbare en schadelijke stoffen sleepen honderden ten grave. Het tusschen de steenen der vestingmuren groeiende gras en andere kruiden worden zorgvuldig opgezocht en met gretigheid verslonden. De waanzin tast sommigen aan. Neen, zoo’n toestand is onhoudbaar. Hoe moedig de Romeinsche soldaten ook mogen zijn, tegen zulk eenen vijand, die met geene wapenen te treffen is, zijn zij niet langer bestand. Hoe noode ook, eindelijk besluiten zij met Civilis in onderhandeling te treden. Gezanten worden naar den Germaanschen aanvoerder afgevaardigd en smeeken hem om behoud van ’t veege lijf. Doch ook slechts het leven wordt hun toegestaan; al wat zich in den burcht bevindt, moeten zij als buit voor den belegeraar achterlaten. Gunstiger voorwaarden zijn niet te bedingen.
Wat zullen de belegerden doen? ’t Is hun niet mogelijk, langer weerstand te bieden; ze zijn dus wel genoodzaakt met Civilis’ voorwaarden genoegen te nemen en de sterkte5 in de handen der Germanen over te leveren.
Geen wonder, dat dezen zich over hunne eindelijk behaalde zegepraal verheugen. Jammer slechts dat zij den roem hunner overwinning bezoedelen, door op trouwelooze wijze de aftrekkende bezetting aan te vallen en voor het grootste deel om het leven te brengen.
Zoo waren de zeden onzer ruwe vaderen. Zij telden hun eigen leven zeer weinig, als gevolg daarvan had het leven eens vijands voor hen nog minder waarde. Zoo verdierlijkt6 het gedurig
krijgvoeren den mensch en maakt hem gelijk aan een verscheurend beest, dat niet alleen doodt om zijnen honger te stillen, maar tevens om zijnen bloeddorstigen aard bot te vieren.
 
Uit: A.L. Van Rije en E.C. Houbolt, Odo, de Batavenknaap (1901), p. 130-131.

 
Tekstfragment 2

De ellende in het Romeinsche kamp had haar toppunt bereikt. Er was letterlijk niets meer, dat dienen kon om den nijpenden honger te stillen. De bevelhebber Lupercus zag zich alzoo genoodzaakt zich over te geven.
Hij zond een bode naar Civillis [sic] met verzoek hem mede te deelen, op welke voorwaarden de overgave kon geschieden. De Bataafsche veldheer, den moed en de volharding des vijands
waardeerende, antwoordde, dat de bezetting met krijgsmanseer mocht aftrekken; maar het medenemen van geld of goed zou niet geoorloofd zijn.
[…een hoofdman smeekt om genade. Civilis’ mannen willen hem doden…]
“Nee mannen, wij zullen den Romein toonen, dat wij het recht stellen boven de macht. Het Kamp is door den Romeinschen bevelhebber overgegeven op voorwaarde van lijfsbehoud7.
Welnu, ook dezen man zal geen haar op het hoofd gekrenkt worden, hoewel hij den dood dubbel en dwars verdiend had. Gij weet, dat den Bataaf het eens gegeven woord heilig is. Daarom”, vervolgde hij, zich tot Lupius keerende, “verwijder u; gij zijt vrij man, maar draag den vloek van Bataven land mee, waar gij gaat.”
Als een hond, die het bij zijn meester verbruid heeft, droop de eenmaal zoo trotsche praetor af, en sloot zich buiten gekomen aan bij de Romeinsche soldaten, die in lange rijen somber zwijgend de poort uittrokken.
Eenige uren later hadden de Bataven en hun bondgenooten het kamp met alles, wat zich daarin bevond, in bezit genomen. Civilis toonde Velleda, die door haar profetie zooveel had
bijgedragen tot den gunstigen afloop van het beleg, zijn dankbaarheid, door haar opnieuw een kostbaar geschenk te zenden. Ook liet hij zijn haar en baard afsnijden ten teeken, dat aan de wraakgelofte, die hij bij het begin van den oorlog gezworen had, was voldaan.
Jammer maar, dat Civilis niet in staat was de halfwilde Over-Rijnsche Germanen in bedwang te houden.
Deze schonden het door hun opperbevelhebber gegeven woord op schandelijke wijze, door de wegtrekkende Romeinsche bezetting op weinige mijlen afstands van het kamp te overvallen. Vele Romeinen, tengevolge van de langdurige ellende, waaraan zij ten prooi waren geweest, niet in staat zich te verdedigen, sneuvelden, anderen vluchtten terug naar het Oude Kamp, waar hen echter een nog rampzaliger dood wachtte; want de woeste Germanen staken de legerplaats in brand en deden zoo de laatste vijanden in de vlammen omkomen.
 
Uit: E.J. Blekkink, Verax, de jonge Bataaf (1905), p. 84-87.

Opdracht 10

Zoek in twee of drie verschillende kranten een verslag van een strijd – een sportwedstrijd of een oorlog die op dit moment aan de gang is. Kun je net zulke verschillen in de verslagen ontdekken als de verschillen die je in vraag 9 hebt gevonden? Opnieuw moet je onderscheid maken tussen de feiten die in het stuk staan en de interpretatie van de schrijver.

Opdracht 11

Vroeger werd het geschiedenisonderwijs ondersteund met schoolplaten. In de klas hing een grote plaat, waarop van alles te zien was, waarover de leerkracht vertelde. Een voorbeeld van zo’n plaat vind je hier. Bekijk de plaat en lees het onderschrift. Dit is geschreven vanuit een ‘neutrale’ verteller. Stel je voor dat je een leerkracht ben van groep 8 op de Batavierenbasisschool. Schrijf vanuit die positie een onderschrift bij de plaat met de volgende woorden:Wij, Batavieren…

Opdracht 12

Bekijk deze videoclip. Er worden verschillende vragen gesteld aan middelbare scholieren. De laatste vraag is: op welke manier zie je de Romeinse invloed terug in onze cultuur? Probeer aan de hand van de inhoud van het filmpje en de gelezen teksten uit deze les hier een antwoord op te geven. Het gaat hier niet om de antwoorden van de leerlingen, maar o.a. om de vertellingen over Tacitus en Arminius.

Opdracht 13

Lees de terzijdes over de rassenleer nog eens terug. De ideeën Linnaeus lijkt op de humeurenleer zoals die in de middeleeuwen werd uitgeoefend. Lees hier wat deze humeurenleer inhoudt en beschrijf hoe deze overeenkomt met de rassenleer uit de negentiende eeuw.

Opdracht 14

Bekijk nog eens kritisch de fragmenten uit de kinder(leer)boeken die in deze les aan bod zijn gekomen. De teksten komen achtereenvolgens uit de jaren 1865 (de geschiedenisboeken van Van Lennep en Van Linschoten), 1870 (Erix en Fella), 1898 (Alfar en Wala), 1901 (Odo) en tot slot 1905 (Verax). Noem en analyseer een concreet aspect van het Batavenbeeld dat je in de verschillende boeken terugziet, zoals het leven in de natuur, het niet kennen van God, de uiterlijke kenmerken, de omgeving, de opvoeding, etc. Hoe speelt dat aspect een rol in de identiteitsvorming van de negentiende-eeuwse kinderen?

Opdracht 15

Ook in de hedendaagse kinder- en jeugdboeken komen regelmatig beelden van de Nederlander van vandaag de dag voor. Ga op zoek naar minstens drie titels en omschrijf welk beeld van de Nederlander in het boek naar voren komt. Verschillen deze beelden van elkaar of komen ze juist overeen? En hoe verhouden deze beelden zich tot die uit de negentiende-eeuwse kinderboeken?.

Notes:
1. benarde veste: een vestiging in benauwde positie.
2. spooksel: staat hier voor spook.
3. opgeteerd: de voorraden zijn geheel verbruikt.
4. rondwaren: ronddolen.
5. sterkte: vesting.
6. verdierlijkt: de omstandigheden van de soldaten maakt hen tot beesten en laat dierlijke trekken in de mens naar boven komen.
7. lijfsbehoud: op voorwaarde dat hij in leven mocht blijven.