Les 3 Natuurkinderen in Batavenland

Uit hetzelfde jaar, 1865 dus, komt de volgende tekst. Schrijver Jacob vertelt de verhalen ‘aan zijn kinderen’. Je zult merken, dat hij veel meer woorden nodig heeft voor het begin van de Nederlandse geschiedenis.
 
Opnieuw worden de lezers direct aangesproken met ‘lieve kinderen’. En ook deze schrijver stelt vragen, waarbij je wordt gestimuleerd om de kennis die je al hebt in te zetten. De opbouw van de les is vergelijkbaar met die van het vorige leerboek. Zijn boek begint zo:

Gij weet nu, lieve kinderen! hoe het land genoemd wordt, waar gij in woont, en gij zoudt ook de ligging van dat land wel op de kaart kunnen aanwijzen, niet waar? Wanneer gij ons1 land op de kaart gevonden hebt en het vergelijkt met zoovele andere, dan zult gij misschien wel denken, dat het al een bedroefd klein hoekje grond is, waar niet veel over te zeggen kan vallen: dat het beter ware, dat ik u over een grooter rijk onderhield, b.v. over Frankrijk, Engeland of Rusland.
Het is waar, kinderen, ons land is klein in vergelijking met die, welke gij daar opnoemt; doch zijn geschiedenis is even onderhoudend2, leerrijk en nuttig, als die van het meest uitgestrekte rijk des aardbodems: en voor u althans heeft zij een bijzonder belang: ik geloof, gij zult wel kunnen nagaan, waarom.
Gij zijt in dat land geboren: gij leeft er in, bij uw ouders, en bij hen, die u opvoeden, verzorgen en onderwijzen; gij hoopt ook, wanneer gij grooter zult geworden zijn, nuttige leden der maatschappij3 te worden; daar toe is het noodzakelijk, dat gij de geschiedenis van ons vaderland kennen leert: die kennis zal, vertrouw ik, bij u liefde verwekken tot dat land, en dankbaarheid aan God, die het zoo dikwerf door Zijnen hoogen bijstand uit allerlei rampen en gevaren gered heeft. Voor ik echter mijn verhaal begin, moet ik u herinneren hetgeen gij reeds geleerd hebt betreffende de grondgesteldheid van ons vaderland. Gij weet, dat het aan den oever der zee gelegen is, veel lager dan het naburige Duitschland, waarom het dan ook somtijds den naam draagt van Neder-Duitschland, bij verkorting N e d e r l a n d.
Er zijn in ons land geen hooge bergen, even als in Zwitserland, Italiën of Spanje: neen, het is meest overal plat: behalve langs de Noord-zee, waar duinen zijn, en in Utrecht, Gelderland en Overijssel, waar men heuvelen vindt. Het wordt door verscheidene groote en kleine rivieren doorstroomd, als b. v., door den Rijn, den Waal, de Maas, den IJsel, de Aemstel, de Vecht, en meer andere. Daar ons land nu zoo laag is, en het water, dat door al die rivieren, of door den regen, wordt aangebracht, niet altijd spoedig genoeg gelegenheid vindt om weg te loopen, is de grond op sommige plaatsen aan overstroomingen onderhevig, en, over ’t geheel genomen, moerassig en vochtig. Ik zal u in ’t vervolg verhalen, hoe het gekomen is, dat ons land niet nog erger door het water bedekt is.
[…] ons land heeft er niet altijd zoo welvarend4 uitgezien. Voor omstreeks tweeduizend jaren zoû iemand wat meer moeite gehad hebben, er doorheen te reizen. Toen zoû hij niets dan bosschen, heiden of moerassen hebben gevonden: toen waren hier noch steden noch dorpen5: ja zelfs geen huizen; want het land was nog onbewoond.
Wanneer en waar van daan de menschen gekomen zijn, die zich hier het eerste hebben nedergezet6, kan ik u met geen zekerheid zeggen: en men is het daar ook niet over eens. Zooveel mag men echter gelooven, dat, in vroege, zeer vroege tijden, het grootste gedeelte van Europa is bevolkt geworden door volksstammen, die heel uit Aziën waren gekomen. In die oude tijden gebeurde het zeer dikwijls, dat een volk of stam door een sterker volk uit zijn woonplaats verdreven werd. Somtijds ook, als een volk te veel in aantal toenam, zoodat het land niet genoeg meer opleverde, om al de inwoners te voeden, scheidde een gedeelte zich van het overige af en trok verder heen7, tot het een onbewoonde landstreek vond, waar het zich neder kon zetten. Op die wijze waren ook die Aziatische volksstammen waar ik van sprak, van het eene land in ’t andere, en zoo langzamerhand in Duitschland, Jutland8, Zweden, Noorwegen en ook hier aangekomen.
Hoe de volksstam9 eigenlijk heette, die zich hier nederzette, is mede niet juist bekend: de vroegste bewoners van ons vaderland ontleenden hun namen van den aard van den grond, dien zij betrokken10, of van andere diergelijke bijzonderheden. Ten Noorden van den Rijn had men een dorre onvruchtbare heide, welke daarom de V a l e O u w e of slecht grond (nu de V e l u w e) genoemd werd: maar ten Zuiden van den Rijn lag de B a t O u w e of goede grond (nu de B e t u w e) en de bewoners daarvan noemde men daarom B a t O u w e r s of, later, B a t a v i e r e n. Een ander deel der inwoners noemde zich M a r e – Z a t e n, dat wil zeggen: aan ’t m e e r, of aan de z e e g e z e t e n e n: en anderen, die aan den duinkant leefden, waar veel konijnen waren, gaven zich of ontvingen den naam van Ka n i n e f a t e n of K o n ij n e n v a t t e r s. Sommige der hier wonende volksstammen waren ook nog onder een meer algemeene benaming bekend, en noemden zich F r i e z e n: welke naam van Friezen de eenigste is, die tot heden toe in stand is gebleven.
[…] Nu moet ik u verhalen, welke soort van menschen de toenmalige bewoners dezer landen waren. Zij, of althans de meesten onder hen, waren groote, kloeke menschen, en zeer dapper en geöefend in de wapenen: zij hadden goudgeel haar, heldere blaauwe oogen en lange knevelbaarden. De mans droegen kleederen van beestevellen gemaakt, en zeer naauw om het lijf gesloten: de armen en beenen bleven naakt, waardoor het vel, dat onophoudelijk aan de lucht was blootgesteld, zeer hard en sterk werd. De vrouwen waren omtrent als de mans, en waarschijnlijk nog armoediger, gekleed; want van linnen, zijde, katoen en wat dies meer zij, wist men toen hier niets; – en de kindertjes liepen, des zomers althans, zonder iets aan het lijf.
Hun woningen waren hutten, van hout, klei of graszoden gebouwd. Daar het land in den wintertijd dikwijls onder water liep, werden die woningen op hooge palen gezet, zoodat het water de deur niet kon binnen stroomen: of men bouwde er aarden dijkjes om heen, die tevens tot verschansingen dienden. Somtijds ook, bij zware overstroomingen, zochten de inwoners de hoogten op, welke zij v l i e d b e r g e n of t e r p e n noemden. V l i e d b er g beteekent een b e r g, waar men op v l i e d t11, en t e r p werd ook uitgesproken d o r p; en toen die t e r p e n of d o r p e n al meer en meer bevolkt werden, gaf men den naam van d o r p aan elke verzameling van huizen, al stond die ook niet op een hoogte.
Van de Batavieren leest men bij de oude schrijvers, dat zij moedige, eerlijke, openhartige lieden waren, die veel hielden van hun vrouwen en kinderen, en zich zeer gastvrij betoonden, – dat is: bereidwillig om vreemdelingen en reizigers wel te onthalen12; want men had toen nog geene herbergen. Lekkere maaltijden konden zij echter niet veel opschaffen; want hun spijs bestond uit wilde appelen, melk, vleesch, visch en pappen van garst of haver. Hun drank was een afkooksel van garst, dat waarschijnlijk veel naar bier zal gesmaakt hebben.
[…] Gij leert lezen en schrijven; daarvan wisten de Batavieren ook niets. Hier van daan komt het, dat er geene boeken door hen zijn nagelaten en wij maar weinig van hen weten. Zij hadden geenen koning, zoo als wij, maar werden geregeerd door een vergadering van de meest ervaren en knappe lieden, en somtijds ook door een overste of opperhoofd, dien zij om zijn bekwaamheid of dapperheid daartoe verkozen, doch niet langer dan voor een bepaalden tijd.
 
TWEEDE HOOFDSTUK
Krijgsverrichtingen van Cezar. Hij vermeestert Galliën – gaat een verbond aan met de Batavieren – bedient zich van hunne hulp in den oorlog – verkrijgt de oppermacht. – Zijn dood. Augustus neemt Batavieren tot lijfwachten.
[…Caesar veroverde delen van Europa, trok de Rijn over en versloeg een aantal Germaanse volksstammen. Hij stelde Batavieren aan in krijgsdienst, op vrijwillige basis…]
(Ao. 54 v. J. C.) […] Spoedig zag Cezar, welke dappere soldaten die Batavieren waren, en hoeveel nut hij in den
oorlog van hen trekken kon. Hij liet hen dus zorgvuldig inde krijgstucht13 onderwijzen, en vormde er een k e u r b e n d e (d.i. een uitgelezen troep) van, welke hij in bijzondere gevallen gebruikte en waarvan hij veel dienst had.
[…Caesar ging terug naar Rome…] De inwoners van Italiën keken verwonderd op, toen zij, in het gevolg van Cezar, die Batavieren zagen, die wel reuzen in hunne oogen geleken. […Na de moord op Caesars volgt Augustus hem op als keizer. Hij stelt een lijfwacht aan…] En wie denkt gij, dat hij voornamelijk uitkoos, om in die lijfwacht te dienen? – Natuurlijk de dappersten, kloeksten14 en getrouwsten : – en dat waren de Batavieren.
 
Uit: J. van Lennep, Voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland, eerste afdeeling. (1865), p. 1-6.

Notes:
1. ons: ons land, Nederland.
2. doch zijn geschiedenis is even onderhoudend […]: toch is de geschiedenis van Nederland even aangenaam.
3. nuttige leden der maatschappij: waardevol en bruikbaar voor de maatschappij zijn.
4. welvarend: bloeiend, rijk, voorspoedig.
5. noch steden noch dorpen: Er waren geen steden en zelfs geen dorpen in Nederland in deze periode.
6. nedergezet: gevestigd.
7. trok verder heen: reisden door naar een ander gebied.
8. Jutland: `Jutland` (Deens: Jylland, Duits: Jütland) is een schiereiland van het Europese vasteland. Het noordelijke deel behoort tot Denemarken, het zuidelijke deel vormt de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein.
9. volksstam: een grote groep mensen die door afstamming aan elkaar verwant zijn.
10. van den aard van den grond, dien zij betrokken: de Batavieren bedachten namen voor streken naar aanleiding van het soort grond waaruit een streek bestond.
11. vliedt: een vliet is een watergang. Een watergang is een natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
12. onthalen: ontvangen, aanvullen
13. krijgstucht: discipline in het leger.
14. kloeksten: de dapperste, meest krachtigste.
(1802-1868) Jacob van Lennep was een Nederlands schrijver, taalkundige en politicus. Hij schreef ook voor kinderen. Een van zijn werken is Voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland (1865). (zie ook les 3: terzijde ‘Jacob van Lennep’)