Les 3 Natuurkinderen in Batavenland

Natuurmensen

Zoals in de introductie al is aangegeven, komen in deze les fragmenten uit zowel lees- als leerboeken uit het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voor. Het opvallendste verschil tussen deze twee genres is de manier waarop de schrijver zijn boodschap verpakt. In leesboeken gebeurt dat op een meer verhalende manier dan in de geschiedenisboeken, maar ook leesboeken hebben wel degelijk een boodschap. Die is alleen verpakt in een verhaal, in plaats van in een droge les. Daar zit een gedachte achter. Als kinderen zich kunnen identificeren met een hoofdpersoon willen ze het liefst net zo worden als hij of zij, dacht men. Kinderen kunnen zich – daar gaan we ook nu nog meestal van uit – het beste inleven in kinderen. De vier leesboeken die we over Batavieren hebben gevonden, hebben dan ook allemaal kinderen als hoofdpersoon. En niet zomaar kinderen, maar moedige, slimme, sportieve Batavierenkinderen. Want, dat lazen we al, kinderen moeten lezen om betere mensen te worden.
 
Wat valt er allemaal nog meer over Batavierenkinderen te zeggen? Drie broers, Odo (14 jaar), Wolfert (8 jaar) en Harman (3 jaar), zoons van Werdomar de Batavier en Rheime, vrouw van Werdomar, gaan op een warme dag naar de rivier om te zwemmen.

En ze hebben waarlijk niet veel tijd noodig, om voor ’t bad gereed te zijn! Uitkleeden behoeft niet en dat wel om de doodeenvoudige reden, dat kleederen voor hen eene onbekende weelde zijn.1 Zij zijn echte Batavenkinderen en die maken o, zoo weinig of liever in ’t geheel geen werk van hun toilet.2 Hunne lichamen zijn gehard, zoowel tegen de snerpende winterkoude als tegen den verzengenden gloed3 der zomerzon. Zie, daar plonsen zij met hunne forsche, gebruinde leden in ’t koele water, dat in glinsterende droppels hoog opspat. Hoe krachtig zijn hunne bewegingen, met hoeveel gemak roeren zij zich in ’t natte element.4 En geen wonder! Van hunne prilste jeugd zijn zij met het water vertrouwd. Nog maar nauwelijks konden zij kruipen in het slijk rond de hut hunner ouders, of de moeder droeg hen zoo noodig naar den rivieroever, om hen door middel van eene ferme onderdompeling van stof en vuil te reinigen. Toen hunne jonge beentjes sterk genoeg waren om hen te dragen, vergezelden zij vader en broeders naar den stroom, om bij de vischvangst toe te zien of behulpzaam te zijn. Zoo gingen zij zich langzamerhand in en op het water tehuis gevoelen.5 Het zwemmen was voor hen niet meer eene kunst, maar eene gewone dagelijksche bezigheid. Zooals onze tegenwoordige jongens het als de natuurlijkste zaak der wereld beschouwen, te kunnen lezen, zoo ging het bij de Bataafsche knapen met het zwemmen. Het was een noodzakelijk deel hunner opvoeding.
 
Uit: A.L. van Rye en E.C. Houbolt, Odo, de Batavenknaap (1901), p. 2–3.

Notes:
1. Eene onbekende weelde: kleren zijn voor de kinderen een onbekende luxe.
2. Toilet: kleding in het algemeen werd vroeger ook aangeduid met het woord ´toilet´.
3. Verzengenden gloed: de brandende gloed van de zon.
4. Roeren zij zich in ´t natte element: beeldspraak voor het werkwoord ‘zwemmen’.
5. Tehuis gevoelen: zij gingen zich in het water thuis voelen.