Les 5 De Bataafse stamvader

Door de verschijning en de voorspelling van Rycheldin krijgt Baeto zijn daadkracht terug. Nadat hij zijn vrouw de lof heeft toegezongen – hij noemt haar zelfs zijn Godin! – en heeft bedankt, spoort hij zijn metgezellen aan om verder te trekken.

 

Scène 4

Baeto, Hes, Burgherhart, Zeghemond, Rei van nonnen, Rei van joffren, Rei van sóldaten
 
 
BAETO
O tróuw gezelschap, hier te marren is niet
goedt.
Den vaderlande geef’ nu elck de laatste groet,
En zich aan geen’ zyd’ van dees’ grenzen.
Eeuwigh duuren
De hemel doe uw’ roem by vreemden en
gebuuren,
Landóuwe lief. Dit is ‘t lest dat ick u betreê;
En laat u, op dat u niet laat d’ inlandsche vreê.
Ghy jongsken vólghtm’, en wenscht dat nemmer
gae verloren
De króón die ghy verliest; al wasse’ u
aangeboren
Van aver t’ aver. Zeg; Gódt hoed’ myn
gróótvaêrs ryck.
 
HES
Gódt hoed’ myn gróótvaêrs ryck.
 
BURGHERHART
Wy wenschen ‘t al gelyck.
 
ZEGHEMOND
De hemel, vaderlandt, spreid’ over u zyn’
zeghen.
 
REI VAN NONNEN
De hemel hóud zyn’ jonst altydt tót u geneghen.
 
REI VAN JOFFREN
O plaats van ons’ geboort, die hoed’ u voor
gequel.
 
REI VAN SÓLDATEN
O vaderlandt, wy gaan. Het gae u eeuwigh wel.
 
BURGHERHART
Gróótmoedigh vórst, wy zyn nu van de plaats
begeven
Die met den eersten aêm opblies ons’ aller
leven;
Die met haar’ vruchten eerst ons heeft al t’zaam
gevoedt;
Uyt wiens gewas ons is gewassen vleesch en
bloedt.
Wy hebben nu geruimt, myn vórst, en zyn hier buiten
De grenzen van het ryck, en palen die besluiten
De konincklycke maght, daar onzer kleen en
gróót
Aan onderworpen werd zelf van zyns moeders
schóót.
En vinden ons ter pleck, daar niemandt te
gebieden
Heeft over ons. Dies staat u vry ons vrije lieden
T’ ontfangen in vooghdy: en ons te kiezen, wien
Wy toevertróuwen dat óórbaarlyckst zal
gebiên.
Het openstaande ryck wilt over ons
aanvaarden.
 
REI VAN SÓLDATEN
‘t Is onze wil.
 
ZEGHEMOND
Verstreckt den vólcke’ een Gódt op aarden.
 
BAETO
Ick heb de maght niet om te weigren ‘t geen ghy
wilt.
 
BURGHERHART
Laat ons ontfangen dan den vórst op dezen
schildt.
Hef op.
 
BAETO
Ick sweer, nae wys en wetten, d’ heerschappije
By raadt van d’ edelst’ en de best’ der burgerije
Te voeren over u, myn’ lieden; dien naar my,
Met wien ghy ‘t hóudt, voortaan uw naam
Baethauwers zy.
Godt hoed’ my voor ‘t aanstaand’, en boete my
‘t vervloghen,, leidt,
Zó waar als dit is.
 
BURGHERHART
Hier is der Baethauwers moghenheidt.
 
REI VAN SÓLDATEN
Lang leef’ de koning.
 
REI VAN JOFFREN
Lang gezondt.
 
REI VAN NONNEN
Altydt in eer.
En ‘t mangel zyner stam aan spruiten
nemmermeer.
 
BAETO
In vrede kloeck als byên, in óórlógh kloeck als
leeuwen
Doorleef’ myn vólck, met hunn’ naekomelingen,
d’ eeuwen,
En nemmermeer en nyp’ hen een te straf
beleidt.
 
ZEGHEMOND
En nemmermeer en slóóp hen d’
ongebondenheit.
 
REI VAN JUFFRÓUWEN
Vórsten hóógh, die wilt bekleden
Met glori eerlyck uw’ hailighe thrónen;
Weten moet ghy, dat reden
Zinnelyck heeft, met uw’ glansrycke krónen
Naegekuist des zons sieraden;
Om u haar’ zeden
Nae te doen yvren, en tónen
Uw’ genaden
Aan goên en quaden.
 
Eindt.
Baeto, Hes, Burgerhart, Zegemond, Rei van
Nonnen, Rei van Juffrouwen, Rei van Soldaten

 
BAETO
O trouw gezelschap, het is niet goed hier te
treuzelen,
Laat iedereen het vaderland nu groeten,
en zich begeven naar de andere
kant van de grens.
Geliefd land, laat de Hemel uw roem bij
vreemdelingen en buurlanden voor altijd voortduren. Dit is voor het laatst dat ik u betreed, en ik verlaat u zodat de binnenlandse vrede u niet zal verlaten. Gij jongen1, volg en zorg dat de kroon die je verliest nooit verloren
gaat, al kwam ze je door geboorte
van ouder op ouder
rechtens toe. Zeg: moge God mijn grootvaders rijk behoeden.
 
HES
Moge God mijn grootvaders rijk behoeden.
 
BURGERHART
Dat wensen wij allen.
 
ZEGEMOND
Moge de Hemel Zijn zegen over uw vaderland spreiden.
 
REI VAN NONNEN
Laat de hemel u altijd goedgezind blijven.
 
REI VAN JOFFROUWEN
O plaats van onze geboorte, moge de Hemel u
voor leed behoeden.
 
REI VAN SOLDATEN
O vaderland, wij gaan. Het ga u eeuwig wel.
 
BURGERHART
Edele vorst, wij zijn nu van de plaats
weggegaan
die vanaf de eerste ademtocht onze levensvonk
aanwakkerde2,
die vanaf het begin ons allen met haar vruchten
heeft gevoed,
door deze gewassen voedden wij ons vlees en
bloed.
Wij hebben nu het land verlaten, mijn vorst, en
zijn hier buiten
de grenzen van het rijk en de grenspalen die
de Koninklijke macht insluiten, waar elk van ons, klein en groot,
aan onderworpen werd, zelfs vanaf zijn moeders schoot,
en bevinden ons op een plaats, waar niemand iets over ons
te zeggen heeft. Daarom bent u vrij om ons, vrije lieden, als onderdanen aan te nemen, en staat het ons vrij te kiezen van wie wij verwachten dat hij ons op de beste wijze zal regeren. Wij verzoeken u om koning te worden van dit koninkrijk dat nog geen koning heeft.
 
REI VAN SOLDATEN
’t Is onze wens.
 
ZEGEMOND
Wees voor het volk een God op aarde.
 
BAETO
Ik heb de macht niet om dat wat jullie willen te weigeren.
 
BURGERHART
Laat de vorst dan op ons
schild staan.
Hef het schild.
 
BAETO
Ik zweer, mijn lieden, dat ik volgens de gewoonten en wetten luisterend naar de raad van de edelsten en de besten uit de burgerij,
over u zal regeren. Naar mij, aan wiens zijde gij
staat, zult gij voortaan Bataven heten.
Moge God mij waarlijk behoeden
voor nieuw verdriet en mij het oud verdriet
verzachten.
 
BURGERHART
Hier ontstaat het rijk der Bataven.
 
REI VAN SOLDATEN
Lang leve de koning.
 
REI VAN JUFFROUWEN
Voor altijd gezond.
 
REI VAN NONNEN
Voor altijd in eer.
En laat de spruiten3 nooit meer van hun stam
snoeien.
 
BAETO
Moge mijn volk en zijn nakomelingen, leven in vredestijd ijverig als bijen,
in de oorlog dapper als leeuwen,
en moge hen nooit een te streng bewind
benauwen.
 
 
ZEGEMOND
En moge de ongebondenheid4 hen nooit naar de
ondergang brengen.
 
REI VAN JUFFROUWEN
Hoge vorsten, die op eerlijke wijze met glorie
uw heilige tronen willen bekleden,
gij moet weten dat het menselijk verstand,
in de glans van uw kronen
symbolisch de pracht van de zon5 heeft weergegeven zodat u,
evenals de zon,
uw gunsten zult uitstralen
naar goede en slechte mensen.
 
Einde.

Tekstvragen

Wat bedoelt Zegemond met de ‘ongebondenheid‘ die hen naar de ondergang zou kunnen brengen?

Notes:
1. Gij jongen: Hes wordt hier aangesproken.
2. Vanaf onze geboorte was dit ons thuis.
3. spruiten: kinderen. Hier: het zal zijn nageslacht nooit aan nakomelingen ontbreken.
4. ongebondenheid: de gegeven vrijheid.
5. Vergelijking van de koning met de zon.