Les 2 De ideale Bataafse staat

We komen terug op de situatie die Van der Capellen voor ons schetst: er zijn dus onderdrukkers en onderdrukten, mensen die de vrijheid afpakken en mensen van wie de vrijheid wordt afgepakt, ‘zij’ en ‘wij’. Van der Capellen vervolgt:

Van de vroegste tijden af zijn deze landen bewoond geweest door dappere en vrije volken. De Batavieren zijn de oudsten, waarover men inlichtingen heeft. Zij voelden de waarde van de vrijheid en kenden het juiste en enige middel om die vrijheid te bewaren. Zij lieten zich daarom niet regeren door lieden die zich zelf verkozen of door een ander – naar zijn goedvinden – gekozen werden; die bij gevolg niet van hen afhingen, die hun geen rekenschap1 schuldig waren en waar zij, als ze niet goed regeerden, geen macht over hadden; neen, zij hielden het heft zelf in handen. De voornaamste zaken van hun land deden ze zelf af in hun algemene vergaderingen, waar het gehele volk gewapend bijeenkwam en elke Batavier evenveel te zeggen had. Om hen in de oorlog (waar ze bazen in waren) voor te gaan en aan te voeren, kozen ze de dapperste, de wijste, de deugdzaamste uit het midden van hun landgenoten. Zij riepen daartoe geen vreemde prinsen of hertogen, die toch alleen maar om fortuin, dat is om den brode, dienen en doorgaans te machtig zijn om, als zij zich misdragen, naar verdienste gestraft te kunnen worden. Voldeed hun het verkozen opperhoofd, dan lieten ze hem die post houden, zo niet, dan dankten ze hem af. En had hij zijn vaderland verraden, of door zijn aanhangers en creaturen2 van binnen of door vreemde hulp van buiten getracht zijn Huis machtiger te maken en zich als een Soeverein3 te gedragen, dan behoef ik U niet te zeggen, hoe die Batavieren zo een zouden hebben getrakteerd4!
 
Behalve de Batavieren woonden er ook nog andere moedige volken, onder wie de Friezen zeer beroemd waren. Omstreeks het jaar 277 na Christus veroverden de Franken5 (een volk uit Duitsland afkomstig, dat zich later neergezet heeft in dat grote, vruchtbare land, dat nog heden naar hen Frankrijk wordt genoemd) die Franken, zeg ik, veroverden deze en de naburige landen, en lieten deze regeren door een soort gouverneurs, toen hertogen en graven genaamd. Het ambt6 van deze hertogen en graven, die eerst maar voor hun leven – mogelijk voor kortere tijd – werden aangesteld, werd langzamerhand erfelijk, gelijk dat doorgaans zo gaat als men een belangrijk ambt lang in hetzelfde huis van vader op zoon laat blijven; en, in plaats van langer gewoon maar gouverneurs te zijn, werden die graven en hertogen zelf de heren van deze landen, en trouwden zo lang onder en met elkaar tot bijna al deze provinciën door erfenis onder de heerschappij kwamen van Keizer Karel de Vijfde7. Deze nam Gelderland en Utrecht, welke provincies hij nog niet had, er met geweld bij en zag zich dus heer van alle de zeventien Nederlandse provinciën, die hij, omdat het regeren hem ging verdrieten, of om andere redenen, in het jaar 1555 aan zijn zoon Filips8 (daarna Koning van Spanje) afstond en overdroeg.
 
Denk evenwel niet, mijne landgenoten!, dat die graven, hertogen en heren – hoezeer hun macht, gelijk dit doorgaans gebeurt, van tijd tot tijd ook was toegenomen en vergroot, denk niet, dat zij hier te lande maar alles konden doen wat zij wilden, neen waarachtig!9 Zij konden het minder naar hun zin krijgen dan onze Prinsen van Oranje, ofschoon10 die slechts de naam van Stadhouder voeren. Ze hadden net als alle vorsten en groten, die er ooit geweest zijn, die er tegenwoordig zijn en die er nog zullen komen, best zin om de grenzen van hun gezag uit te breiden, om de baas te spelen, om alles alleen voor het zeggen te hebben. Met andere woorden: om zich Soeverein te maken, maar onze brave voorouders beletten hun dit. Het volk, dat wil zeggen, de hele natie, de ingezetenen des lands, burgers en boeren, groten en kleinen, rijken en armen, die allen tezamen de natie of het volk uitmaken, vergaderden wel niet meer als vroeger de Batavieren deden (en nog tegenwoordig op sommige plaatsen in Zwitserland gebeurt) om zelf te regeren. Dit was ook niet praktisch, omdat er onder zo’n grote vergadering van allerlei mensen altijd te veel verwarring heerst om rustig over de landsbelangen te kunnen beraadslagen, en omdat een heel volk ook geen tijd heeft om – met verzuim van zijn affaires11 – steeds maar bijeen te komen. Maar overal had onze natie zekere lieden, die ervoor zorgden en opletten dat de zaken des lands goed gingen, die moesten zeggen, hoeveel geld er ten dienste van de vorst of het gemenebest12 zou worden opgebracht, en toezagen of dat geld wel goed besteed werd. In de steden waren bijna overal of gilden of schutterijen of gezworen gemeenten13 of andere goed bekendstaande mannen die een oog in het zeil hielden en op verscheiden plaatsen zelfs de regenten kozen. Op andere plaatsen hadden – zoals nog in Drente, Groningen en Friesland gebruikelijk is – zelfs de boeren ook wat te zeggen, en dat was ook heel juist, want zij zijn ook ingezetenen des lands die even goed als de overigen hun belasting opbrengen ten dienste van het land. De ingezetenen waren allemaal gewapend en strijdbaarder dan wij thans14 zijn. En de vorsten des lands hadden eerst helemaal geen en daarna maar heel weinig soldaten in dienst, waarmee ze het land konden dwingen, gelijk onze Prinsen van Oranje dat tegenwoordig kunnen, wanneer ze maar willen, en ook meer dan eens gedaan hebben. Die vroegere vorsten hadden ook niet zoveel aanzienlijke vette15 en tevens onnodige ambten te vergeven als onze prinsen en konden dus ook niet zo’n groot aantal hongerige, trotse, kale edelen en andere verachtelijke groten zo makkelijk aan zich verbinden en in de hoge vergaderingen – waar liefst over het geluk en ongeluk van onze hele natie wordt gedelibereerd16 en beslist –, zó laten stemmen als het hun behaagt, en zoals met hun bedoelingen overeenkomt, – zijn die nog zozeer in strijd met het heil en de voorspoed van het land.

Tekstvragen

Wat bedoelt Van der Capellen met ‘zich als een Soeverein te gedragen’? Hoe zouden de Batavieren hierop gereageerd hebben?

Noem de voordelen die Van der Capellen noemt als ‘de ingezetenen des lands’ het voor het zeggen zouden hebben.

Notes:
1. rekenschap: verantwoording afleggen. In deze context: verantwoording afleggen is niet nodig.
2. creaturen: schepsel, verachtelijk mens.
3. Soeverein: oppermachtig, alleen heersend. In deze zin: men kan zich soeverein gedragen, dus denken oppermachtig te zijn.
4. getrakteerd: de auteur laat zien dat de Batavieren niet met zich lieten sollen en treffende maatregelen namen wanneer dit nodig was in het geval van verraad of ‘soeverein gedrag’.
5. de Franken: De Franken waren een Germaans volk dat vanaf circa 200 langs de grens van het Romeinse Rijk aan de Rijn in het huidige Duitsland woonde en zich later ook uitbreidde, eerst over geheel noordelijk Gallië en vervolgens over het grootste deel van het huidige Frankrijk.
6. ambt: een functie vervullen.
7. Karel de Vijfde: Keizer Karel V was landsheer van uiteindelijk alle Nederlandse gewesten in 1516-1556 als Koning Karel I koning van Spanje en in 1519-1556 als Keizer Karel V keizer van het Heilige Roomse Rijk.
8. Filips: Filips II was de zoon en opvolger van Karel V. Later werd hij koning van Spanje van 1554-1558. Hij was heerser over Castilië, Aragon, Napels, Sicilië, de Habsburgse Nederlanden en Portugal.
9. neen waarachtig!: een kreet waarmee de auteur de lezer scherp wilt houden: ´nee natuurlijk niet!´
10. ofschoon: alhoewel.
11. met verzuim van zijn affaires: terwijl hij zijn werkzaamheden verzuimt.
12. gemenebest: dit is een ander woord voor ‘Republiek’ (zie ook de begrippenlijst).
13. gilden of schutterijen of gezworen gemeenten: ‘gilden’ zijn vakorganisaties, ‘schutterijen’ burgerwachten en ‘gezworen gemeenten’ een volksvertegenwoordiging. Allen hielden zij een oogje in het zeil.
14. thans: nu, tegenwoordig, heden ten dage.
15. aanzienlijke vette: een winstgevend baantje.
16. gedelibereerd: werkwoord ‘delibereren’, een ander woord voor beraadslagen of overleggen.