Les 2 De ideale Bataafse staat

‘Wij’ tegenover ‘zij’

Laten we dan nu eens gaan lezen wat er eigenlijk in het ‘opruiende’ , gericht aan het Volk van Nederland, staat. Met opnieuw in het achterhoofd de vraag: aan wie is het precies gericht

Volk van Nederland!
 
Waarde medeburgers!
 
Indien gij mij1, schrijver dezes, in mijn persoon, denkwijze en particuliere omstandigheden kende, zou ik U niet behoeven te verzekeren, dat ik geen fortuinzoeker2 ben; dat ik niet alleen nooit enig ambt heb bekleed, maar dat ik er zelfs nooit een bekleden noch begeren kan; dat ik derhalve volkomen belangeloos en daarom geloofwaardig ben, wanneer ik U betuig, gelijk3 ik voor den Alwetenden God doe, dat niets dan verontwaardiging over de goddeloze wijze, waarop ge verkocht en verraden wordt, mij dringt om mij tot U te wenden; en daarnaast met een vurige begeerte om, eer het voor altijd te laat is, nog een poging tot Uw, tot ons aller redding te doen.
 
Het is, mijn waarde medeburgers! niet sinds gisteren of eergisteren dat men4 U bedriegt en mishandelt; neen, ge zijt, om niet van vroeger tijden te spreken, nu sedert bijna twee eeuwen de speelbal geweest van allerlei heerszuchtige lieden5, die, onder de schijn van voor Uw belangen en vrijheid te zorgen, niets – ja, zowaar als er een God is, aan wie ik wegens dit geschrift rekenschap zal moeten geven – volstrekt niets anders beoogd hebben dan een erfelijk juk op Uw vrije halzen te drukken6. Vergun mij7 derhalve, dat ik U uit de geschiedenis van ons vaderland – niet zoals die U door gehuurde schrijvers of onkundige of met vooroordelen behepte mensen8 maar al te dikwijls wordt voorgesteld, maar zoals de zaken waarachtig gebeurd zijn – met weinig woorden en in een eenvoudige en verstaanbare taal mag uiteenzetten, hoe het er eigenlijk mee gelegen is, en wat men met U, met ons allen, met het Nederlandse Volk steeds heeft voorgehad.

Tekstvragen

De auteur noemt zichzelf, wanneer hij zich voorstelt, ‘geen fortuinzoeker’. Wat zou hij daarmee bedoelen?

De auteur spreekt in de tekst over een ‘juk’ dat op de ‘vrije halzen’ van de burgers drukt. Wat dragen de burgers (figuurlijk gezien) volgens de auteur met zich mee?

Notes:
1. De auteur spreekt het volk aan.
2. fortuinzoeker: een persoon die uit is op (het onjuist verkrijgen van) rijkdom.
3. gelijk: zoals
4. men: hiermee worden de leiders van het land bedoeld.
5. heerszuchtige lieden: naar macht strevende, bazige en gebiedende personen.
6. een erfelijke juk op Uw vrije halzen te drukken: de auteur laat de lezer inzien dat het volk slachtoffer is van de naar macht strevende personen. Een ´juk´ is een draagbalk voor over je schouders om emmers mee te vervoeren. Het volk moet volgens de auteur de lasten van het land op de schouders met zich meeslepen.
7. Vergun mij: ‘vergunnen’ staat voor ‘toestemming verlenen’. De auteur vraagt de lezer, ofwel het volk, om toestemming.
8. behepte mensen: mensen met vooroordelen.
Pamfletten, ook wel vlugschriften of vliegende bladen genoemd, bestonden sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. Je kunt ze beschouwen als de voorloper van de krant. Door een pamflet was het mogelijk om snel en op grote schaal actuele berichten te verspreiden in beknopte vorm, dus goedkoop. Niet alleen actuele berichten konden worden doorgegeven. Al snel gebruikte men deze manier ook om propaganda te maken, discussies op gang te brengen, of onrecht aan te kaarten. (zie ook les 2: terzijde ‘Pamfletten’)