Les 2 De ideale Bataafse staat

Tussen de regels door kun je duidelijk lezen dat Van der Capellen vindt dat dit héle Volk van Nederland een voorbeeld zou moeten nemen aan zijn ‘brave voorouders’, de Batavieren, de Friezen en later ook de Franken. ‘Wij’, het hele volk, kunnen van hen leren hoe we onze vrijheid moeten terugwinnen en hoe we die vrijheid moeten handhaven. Hoe we het land zo kunnen organiseren dat de erfopvolging (het ‘erfelijk juk’) niet tot gevolg heeft dat een vorst steeds meer macht en ‘verachtelijke groten’ naar zich toe trekt, die handelen ‘in strijd met het heil en voorspoed van het land’. Bij de Batavieren kon iedereen meepraten. In Friesland, Groningen en Drenthe beslisten zelfs de boeren over de besteding van de belastinggelden. Er waren toezichthouders, die op verschillende plaatsen ‘zelfs de regenten kozen’. De ideale staatsvorm wordt hier beschreven als een democratie met een belangeloos staatshoofd. Bovendien waren de vroegste ingezetenen van ons land ‘allemaal gewapend, en strijdbaarder dan wij thans zijn’. Daarom:

O, landgenoten! nog eens, wapent U allen tezamen, en draagt zorg voor de zaken
van het hele land, dat is voor Uw eigen zaken. Het land behoort aan U allen met elkaar, en niet aan de Prins met zijn groten1 alleen, die U, die ons allen, die Neerlands hele volk, de afstammelingen der vrije Batavieren beschouwen en behandelen als hun erfelijk eigendom, als hun ossen en schapen, welke zij naar hun goeddunken2 of scheren of slachten kunnen en mogen. Het volk dat in een land woont, de ingezetenen3, de burgers en boeren, armen en rijken, groten en kleinen – allen bijeen – zijn de ware eigenaren, de heren en meesters van het land, en kunnen zeggen hoe zij het hebben willen, hoe en door wie zij geregeerd willen wezen. Een volk is een grote maatschappij, een compagnie en niets anders. De regenten, de overheden en magistraten, de Prins, wie ‘t ook is, die een post in die maatschappij bekleedt, zijn enkel maar de directeurs, de bewindhebbers, de rentmeesters van die compagnie of maatschappij en in deze kwaliteit minder dan de leden van die maatschappij, dat wil zeggen de gehele natie of het gehele volk.
[…] Alle mensen zijn vrij geboren. De een heeft van nature over de ander niets te zeggen.
De ene mens is wel wat verstandiger van geest of wat sterker van lichaam of wat rijker dan
de ander; doch dat geeft hun, die verstandiger, sterker of rijker zijn, niet het minste recht om over de minder verstandigen, minder sterken, minder rijken te heersen. God, ons aller Vader, heeft de mensen geschapen om gelukkig te worden en aan alle mensen – niemand
uitgezonderd – de verplichting opgelegd, om elkaar zoveel mogelijk gelukkig te maken. Om
dit goede doel van de Schepper4 te bereiken, dat is om hun geluk te bevorderen, hebben de mensen gevonden dat zij niet beter kunnen doen dan zich in groten getale – somtijds van enige miljoenen – bijeen te voegen en grote maatschappijen te vormen, waarvan de leden (wat gij altijd goed in het oog moet houden) van nature allen aan elkaar gelijk zijn, en de een niet onderworpen is aan de ander. In deze maatschappijen – meestal burgermaatschappijen, volken of naties genoemd – verbinden zich de leden of participanten om elkanders geluk zoveel mogelijk te bevorderen, en elkaar onderling met vereende krachten te beschermen en in het ongestoorde genot5 van alle eigendom, bezittingen en alle geërfde en wettig verkregen rechten te handhaven.

Tekstvragen

Wie bedoelt van der Capellen met ‘hun erfelijk eigendom’. Waarom gebruikt hij deze woorden?

In het pamflet wordt gesproken over het ‘goede doel van de Schepper’. Over welk goed doel gaat het hier?

Notes:
1. groten: regenten. Zie de begrippenlijst.
2. naar hun goeddunken: Van der Capellen maakt met deze vergelijking duidelijk dat het lot van het volk ten tijde van zijn schrijven in de handen ligt van de prins en zijn medestanders.
3. ingezetenen: inwoners. Hierna volgt een opsomming van de inwoners: burgers, boeren, etc.
4. Schepper: God.
5. in het ongestoorde genot: in alle rust kunnen genieten van (…).